Martine Kruider: ‘Wat ik ooit mijzelf liet aandoen, laat ik een ander níét aandoen.’

Boerin, journalist, maatschappelijk werker, sociaal ondernemer. Maar ook: tv-presentator, dagvoorzitter en moeder. Martine Kruider uit Zeewolde is een alleskunner. Bij de jongere generatie bekend van het tv-programma Nieuws uit de Natuur. Maar ze is ook regelmatig spreekbuis voor de boeren in Nederland. Een pittige tante. Zo staat ze bekend. Vooral als ’t op onrecht aan komt. Wat drijft haar?

‘Als meisje verhuisde ik met mijn ouders naar Genemuiden. We woonden al ergens anders in Overijssel, maar op mijn nieuwe basisschool sprak iedereen opeens dialect. Ik begreep er geen snars van en ik stond direct met 1-0 achter. We waren ook wel een beetje anders. Tegen mijn ouders zei ik ‘u’. Gewoon beleefd, dat hoorde bij de opvoeding. Mijn vader was marktkoopman en meubelstoffeerder, hij kwam uit Leiden. Pap sprak echt Leids met zo’n glibberig accent. Ik droeg vaak kleding van mijn buurmeisje. Heel tof, maar tweedehands. Dat vond iedereen gek. Ik lag niet goed in de klas en werd enorm gepest. Al nam ik zakken snoep mee, al deed ik lief of juist onopvallend: niets hielp. Ik deed van alles om erbij te horen. Maakte zelfs huiswerk voor klasgenootjes. Toch bleef ik outcast.’

‘Thuis was het veilig. Mijn vader had zijn bedrijf achter het huis. Ik hielp graag mee. Hij kon goed met iedereen. Op de markt verkocht hij stoffen, kussentjes en schuimrubber. Zo haalde hij klanten binnen. Mijn vader was lief en sociaal. Met Kerst hadden we vaak een gast aan tafel. Altijd iemand met een probleem. Hij nam wel vaker mensen mee. Dan riep hij vanuit de gang: “Joke, er is nóg een eter.” En dan ging die schnitzel gewoon in tweeën. Mijn moeder was altijd thuis, dat had je toen. We woonden vlak bij school, echt zo’n kippeneindje. Als om drie uur de bel ging, dan wist ik: lekker naar huis! Dan liet ik al het nare van die dag achter mij.’

traporgel
‘Niemand thuis wist iets van dat pesten. Ik zei niets. Durfde niet. Opa en oma – ook Leidenaren – woonden achter in de straat. ’s Middags at ik soms een broodje mee. Er stond een traporgel in de kamer. Met hulp van cijferakkoorden speelde ik: ‘Jezus die mijn ziel bemint’. Oma trots: “Nou meid, jij hebt wel een snoepje verdiend.” Ik pikte er dan vijf extra, om die rotkinderen op school tevreden te stellen.

Het achtervolgde mij. Ik kreeg kauwgom in mijn haar, werd als laatste gekozen bij gym, altijd fluisteren achter mijn rug. Misselijke streken. Gek werd ik ervan. Op het plein stonden houten palen. In groep acht werd ik er heel hard vanaf gegooid. Toen knapte er iets van binnen. Ik vloog de jongen aan, die het deed. Maar het schoolhoofd gaf mij de schuld. Zei ik geen sorry, dan mocht ik niet mee op kamp. Mijn ouders werden gebeld. M’n moeder verdrietig. “Waarom heb je nooit iets gezegd?” Tja. Er was nog weinig aandacht voor pesten. Ik was bang dat het erger werd als mijn ouders die meiden erop aan zouden spreken.

Ik had dat pesten liever nooit meegemaakt, maar het heeft mij wel gevormd. Als ik merk dat iemand buiten de groep valt, dan kom ik in actie. Ik wil altijd mensen insluiten. Die antenne heb ik ontwikkeld. Blijkbaar hangt dat om mij heen, want ik trek ook van die types aan. Van jong tot oud. Sommige mensen zijn eerst zo gesloten als een boek, maar uiteindelijk vertellen ze mij alles. Dat had ik later ook bij de krant. Vroegen collega’s: “Maar hoe dóe je dat? Die vent wil nooit iets kwijt.” Het is geen trucje. Ik kijk goed naar de ander en bedenk: waarom ben jij geworden wie je bent? Er is altijd iets en je kunt daardoor veel verklaren. Het helpt je om een beter beeld te vormen. Ik oordeel niet, die verschillen zijn juist leuk. Het is een cliché misschien, maar voor mij is ieder mens bijzonder.’

verandering
‘Op de middelbare school sloeg ik een beetje door, ik wilde niet meer alleen zijn en trok meteen mijn mond open. Liep overal voorop, had veel vriendinnen. De eerste dag dat ik op mijn fietsje naar de mavo in Zwartsluis ging, dacht ik: ik krijg een nieuwe kans. Nooit meer die ellende. We hoorden bij de Hervormde Gemeente van Genemuiden. Best wel zwaar op de hand. Ik herinner mij het schoolkamp op Ameland. De klas ging naar de disco, maar ik wist: mijn ouders vinden dat niets. Dus ik bellen vanuit een telefooncel. Mijn moeder zei: Je weet hoe we erover denken … Ze liet het bij mij. En ik ging niet. Ik haalde hoge cijfers op de mavo en had een toptijd. Toch was er totaal geen uitdaging. Mijn leraar Duits vond het verkwisting van talent, maar mijn moeder zei: “Geniet ervan. Je moet gewoon even bijkomen van een nare tijd.”

Daarna deed ik meao in Zwolle. Bedrijfscommunicatie. Een stad leek mij leuk. Ik kreeg daar een vriendin zoals ik hoopte dat vriendinnen zijn. We zijn nog steeds close. Ook sportte ik veel. Drie keer per week schaatsen in Deventer en ik zat in het volleybalteam, dames 1. Ik ging als een speer en was ook best gelovig. Bidden, bijbellezen, naar de EO-jongerendag. Op mijn zestiende zag ik bij de VPRO een documentaire over een kibboets in Israël. Geweldig. Op mijn zeventiende zat ik er. Wat ik in mijn kop kreeg, deed ik. Zo ging het. Ik liet keuzes niet meer over aan anderen. Ik wilde zelf bepalen.

Mijn latere chef bij het Veluws Dagblad zei: “Die Kruider is een diesel; als ze eenmaal op gang is …” Het past bij mij. Niet opgeven. In de kibboets belde ik vaak naar huis. Collect call. M’n moeder in paniek aan de lijn: “O Tien, er is iets ergs gebeurd!” Bleek dat er een aanslag in Gaza was geweest, dicht bij ons. Daarvan hadden wij dus helemaal niets gemerkt. We zaten in onze eigen wereld. Ik vond die tijd zo gaaf. Met een groep naar Jeruzalem tuffen in zo’n jeep. Ronddobberen op de Dode Zee. Er werd flink wodka gestookt, het was elke vrijdagavond feest. De tweede keer Israël ging mijn zusje Jacqueline mee. We zijn nog een keer half verdwaald geraakt op een militair terrein. We waren al hecht, maar zo’n periode samen vergeet je nooit meer. Nu sparen we om met onze gezinnen naar Israël te gaan.’

journalistiek
‘Ik wilde journalistiek studeren in Zwolle, maar werd twee keer niet ingeloot. Uiteindelijk deed ik een jaar Engels. Ik heb zelfs nog les gegeven. Vervolgens kon ik instromen bij de Evangelische Hogeschool in Amersfoort. Daar ging ik op kamers. Ik had een beetje angst voor het onbekende, zoals daklozen op het station. Ik dacht: ik ga juist doen wat ik lastig vind. Toen heb ik mij aangemeld bij ’t Snurkhuis in Utrecht. Reed ik ’s nachts met de Tussenbus om soep uit te delen. Al die prachtige verhalen … Als m’n dienst erop zat, bleef ik in het slaaphuis logeren. Ik raakte met hen vertrouwd. Ze brachten me ook weleens weg naar de laatste trein. Ja, als mijn beschermengelen. Ik was jarig en oma had speciaal voor de groep een cake gebakken. Zilverfolie eromheen. Al m’n vrienden in de Tussenbus zeiden: “Hey Martine, spacecake?”

Op de EH kreeg ik een stageplek bij een productiebedrijf dat voor de EO werkte. Met programma’s als Wereld van Verschil, van Henk Binnendijk. Het EO-cultuurtje in die tijd trok ik niet zo goed. Allemaal ego’s. En knetterhard werken, zonder iets te verdienen. Ik had geen tijd voor een bijbaantje. Kon mijn huur niet betalen. Toen hebben mijn ouders boos opgebeld naar m’n stageplek en is er iets geregeld. Vervolgens kreeg ik een belletje: er was een baan vrij bij het Veluws Dagblad in Harderwijk.

Echt zo’n linksig, rood nest. Heel anders dan het christelijke wereldje. Maar die collega’s vonden het juist leuk als ik over God vertelde. Tijdens een interview in Zeewolde leerde ik ook mijn man kennen, Arjen. Het was pats boem raak. Een jonge boer. De mooiste man van Flevoland, zeg ik altijd. Stoer en steady. We wonen al jaren midden tussen de akkers en de koeien. We zijn bijna 21 jaar getrouwd en hebben een prachtig gezin met twee kinderen. Ja, zij zijn mijn basis. Als dat goed zit, kan ik al het andere aan.’

onrecht
‘Die tijd bij de krant is bepalend geweest voor mij. Bijzondere figuren portretteren, schrijven over misstanden en mensen recht doen. Ik zei altijd bij interviews: “Ik beschrijf je zo mooi als je bent.” School had ik nog steeds niet afgerond. Als eindscriptie maakte ik een documentaire over kinderprostitutie. Over meisjes van 14, 15 jaar. Die zocht ik op, zonder dat de pooier het merkte. De docu werd uitgezonden bij de EO en maakte echt wat los. Voor de krant schreef ik er een verhaal over. Daar won ik bijna Het Gouden Pennetje mee. Toch ging het wringen. Dat gedelegeer vanuit het hoofdkantoor in Houten. Op de redactie moest van alles en we konden er niets tegenin brengen. Weer die mannetjes, weer die ego’s. Net als bij mijn stage. Ik besloot vrij abrupt te vertrekken. Als ik er klaar mee ben, dan is het ook écht klaar. Ik werd freelancer bij Omroep Flevoland.

Ook werkte ik in Nijkerk drie dagen per week als invalkracht in een tehuis voor probleemjongeren. Dat tehuis kende ik door een verhaal voor de krant. Ik vond ’t zo sneu: de jongeren waren nog nooit op vakantie geweest. Samen met een collega heb ik toen iets geregeld in Zeeland, op de camping bij mijn ouders. M’n vader bakte pannenkoeken. Wat een onvergetelijke tijd. Met een heel aantal jongeren hield ik nog lang contact.

Daarna schreef ik boeken over het boerinnenbestaan. Maar om inkomen te hebben, herschreef ik ook wel jaarverslagen. Vervolgens kwam Nieuws uit de Natuur voorbij. Het jeugdprogramma op Nederland 3, SchoolTV. Ze zochten een enthousiaste presentatrice. Iemand wees mij erop. Doodeng. Ik verprutste de auditie, maar ik bleef toch hangen. Na een herkansing kreeg ik de job. Ik heb het vijf jaar gepresenteerd.

Lag ik in de sloot in een duikerspak, voor een item over het onderwaterleven. Of zat ik urenlang met de crew in de dierentuin om de geboorte van een babyolifant te volgen. Alles kwam voorbij. Ik was veel op tv, kinderen herkenden mij. Soms grappig, maar ik zat niet op bekendheid te wachten. Ik weet nog dat ik het zoontje van Wendy van Dijk tegenkwam op een tv-gala. Hij wees enthousiast naar mij en je zag Wendy kijken: wie is dat mens?’

‘Lange tijd ben ik in de kerk actief geweest, maar de laatste periode niet meer. Ik was ook jeugdouderling. In oktober 2015 kwamen vijf jongeren uit Zeewolde om het leven toen ze naar huis reden van een avond stappen. Een afschuwelijk drama. Alle journalisten doken erbovenop. Ik was verslaggever van Omroep Flevoland toen de gemeente vroeg of ik wilde helpen bij de woordvoering. Het ongeval sloeg een krater in het dorp. Zoveel verdriet. Ik heb er ook twee boekjes over geschreven. Samen met m’n vriendin Corine, later medeoprichter van leer-werkbedrijf De Basisz, mocht ik erover vertellen bij De Wereld Draait Door.

Matthijs van Nieuwkerk zat in het eerste jaar van die show. Hij stelde heel vervelende vragen. Dat riep heftige reacties op bij jongeren die mee waren. Kregen we later via zijn redactie een taart toegestuurd. Een excuus voor de behandeling tijdens de uitzending. Die hebben we teruggestuurd, met een briefje erbij. Daarop stond dat wij andere manieren van journalistiek gewend waren.

Het ongeval maakte zichtbaar dat veel jongeren hun weg niet zelfstandig konden vinden in het leven. In het dorp was echt opvang en nazorg nodig. Van daaruit is ons leer-werkbedrijf ontstaan. We helpen als je het even niet meer weet. Je krijgt letterlijk en figuurlijk een steuntje in de rug. In Zeewolde hebben we een winkel en we bestaan nu dertien jaar. Vooraf willen we niet weten wat het probleem is. Ik zeg vaak: “Je hebt je gemeld, kom eerst een dagje meelopen.” Hulp zonder vooroordelen. Bij mij ligt dat uitsluiten van vroeger altijd op de loer. Ik heb zo’n lievelingszin uit een nummer van Chefs Special: “I’m on your team, you can throw me the ball.” Ik laat je niet in de steek. Wat ik ooit mijzelf liet aandoen, laat ik een ander níét aandoen.’

‘Trajecten bij De Basisz zijn intensief. Veel praten. Spiegelen. Tijdens deze coronacrisis wandel ik regelmatig even met jongeren. Ze missen zo vaak het gevoel dat je er mag zijn. Dit land biedt 300.000 studies, maar wat nu als je niet weet waar je kracht ligt? De Basisz helpt daarbij. Bij ons heeft iedereen een eigen rol. Het is een sterk team. Soms kom ik scherp uit de hoek. Dat weet ik. Maar dat doe ik nooit voor mezelf. Altijd ten gunste van een ander. Het is een innerlijke drive: ik kan gewoon niet anders. Twee jaar geleden kreeg ik opeens een koninklijke onderscheiding. Ik blijk de jongste ooit in Zeewolde. Helemaal verrast. Mensen zeggen: O, wat doe je veel! En dan denk ik: als we nou allemaal iets doen. Echt hoor, ik vind dat we meer dappere mensen nodig hebben. Oren en ogen open, iedereen kan iets betekenen. Je bent hier niet voor jezelf.

gekke grapjes
Mijn vader is veel te vroeg overleden. Hij was 61. Ik was kapot. Sinds een tijdje werkte hij bij De Basisz. Meubels stofferen, jongeren begeleiden. Gekke grapjes maken, altijd vrolijk. Iedereen liep met hem weg. Ook richting God vond ik het knap lastig. Op zijn sterfbed verlangde pap naar zijn Vader in de hemel. Ik dacht vooral: waarom? Daarmee heb ik geworsteld. Ik leef naar het gebod: Heb je naaste lief als jezelf. Dat is het belangrijkste voor mij. Gelukkig heb ik m’n moeder nog. En onze familie is hecht, we zijn gek op elkaar en steunen elkaar. Veel jongeren met wie ik werk kennen dat gevoel niet. Onder de jeugd is veel verdriet en narigheid. In een gesprekje zeg ik vaak: “Nu voel je dat alles heel negatief is en stom, maar het leven heeft je nog veel meer te bieden.” Ja toch? Hoe donker ook, het wordt echt weer een keer licht. Dat vind ik een troostrijke gedachte.’

paspoort
Martine Kruider (Zwolle, 30 januari 1974)

  • Getrouwd met biologische veehouder Arjen Verschure, twee kinderen.
  • Woonplaats: Zeewolde
  • Opleidingen: bedrijfscommunicatie (meao), propedeuse lerarenopleiding Engels (hbo) en journalistiek (Evangelische Hogeschool).
  • Beroep: sociaal ondernemer, boerin, journalist.

Tekst: Marco van den Berg

Beeld: Dick Vos

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *